maandag 22 april 2013

Onwerkbare situatie reden ontbinden aannemingsovereenkomst


Een eigenaar van een woning (hierna: de opdrachtgever) heeft met de aannemer een overeenkomst gesloten voor het realiseren van onder meer een aanbouw aan de achterzijde van zijn woning.

Partijen raakten in discussie over de hoogte van de vloer in de aanbouw, die door aannemer een paar millimeters hoger was geplaatst dan de bestaande vloer. De aannemer heeft een e-mail aan de opdrachtgever gestuurd, waarin hij zijn visie met betrekking tot deze gelegde vloer heeft weergegeven. De opdrachtgever gaf hierop aan een gesprek te willen met de aannemer.  

Hierop heeft een onplezierig telefoongesprek plaatsgevonden tussen partijen. Naar aanleiding van dit telefoongesprek heeft de aannemer medegedeeld, dat hij de uitvoering van het toen nog niet afgeronde aangenomen werk staakte vanwege een onwerkbare situatie.

De opdrachtgever is vervolgens naar het bedrijf van de aannemer gegaan om het een en ander te bespreken. Toen de aannemer niet aanwezig was, is de opdrachtgever naar de priv√©woning van de aannemer gegaan en heeft de zaak met de echtgenote van de aannemer besproken. Het gesprek werd door de echtgenote van de aannemer als kwetsend en bedreigend ervaren. 

De aannemer heeft gemeld de uitvoering van zijn werkzaamheden stil te leggen. De opgedragen werkzaamheden heeft de opdrachtgever door een derden laten uitvoeren. In de bodemprocedure vorderde de opdrachtgever schadevergoeding (de herstelkosten en verdere werkzaamheden).

Rechtsvraag
In deze casus verschillen partijen van mening over de vraag of de opdrachtgever zich zodanig onheus jegens de aannemer en zijn echtgenote heeft gedragen, dat van de aannemer in redelijkheid niet langer de verdere uitvoering van de overeenkomst kon worden gevergd. 

Hof ’s-Gravenhage 
Uit de weergegeven feiten, e-mailcorrespondentie, maar ook uit de diverse getuigenverklaringen, kwam duidelijk het beeld naar voren van (vooral als gevolg van de perikelen ronde hoogte van de vloer van de aanbouw) toenemende spanningen en onderling wantrouwen tussen partijen. 

Het gerechtshof achtte doorslaggevend, dat de opdrachtgever aan zijn ongenoegen uiting heeft gegeven op een wijze die de aannemer niet hoefde te accepteren. Niet alleen jegens de aannemer maar ook jegens zijn echtgenote, in het weekend en op het huisadres. Nu het laatste restje vertrouwen van de aannemer op het in goed overleg zoeken naar een oplossing van het ontstane geschil door het optreden van de opdrachtgever was verdwenen, was de aannemer gerechtigd zonder nadere ingebrekestelling de aannemingsovereenkomst gedeeltelijk – voor het gedeelte dat de overeenkomst nog niet was nagekomen – te ontbinden. Door de ge√ęscaleerde onderlinge verhoudingen kon de opdrachtgever in redelijkheid niet van de aannemer verlangen, dat hij het werk afmaakte. 

Het gerechtshof komt samenvattend tot de conclusie dat de aannemer niet gehouden was de werkzaamheden af te ronden. Het hof sluit met deze beslissing aan bij het oordeel van de bodemrechter. 

LJN: BZ3304