donderdag 28 februari 2013

Ongerechtvaardigde verrijking?


Recent heeft de rechtbank ‘s- Gravenhage moeten beoordelen of de vordering van de curator op basis van ongerechtvaardigde verrijking toegewezen kan worden. 

Feiten

Roos Bouw is een onderneming die zich onder meer bezig hield met het doen bouwen van woningen. In 2006 heeft Roos Bouw een aannemingsovereenkomsten gesloten voor de bouw van 27 herenwoningen te Sassenheim.
Op de aannemingsovereenkomsten zijn de algemene voorwaarden voor eengezinshuizen van toepassing waaronder de garantie- en waarborgregeling van de Stichting Garantie Instituut Woningbouw (GIW).

Op 18 september 2007 is Roos Bouw, ten tijde van de bouw van de woningen, failliet gegaan. Op grond van de aannemingsovereenkomst mag het eerste termijn van de aanneemsom gedeclareerd worden bij het gereedkomen van de ruwe begane grondvloer. Dit bedraagt 20% van de aanneemsom, aldus € 30.000,-. 

De curator verzoekt de kopers het eerste termijn van de aanneemsom te betalen omdat de ruwe begane grondvloer door Roos Bouw vóór het faillissement is gerealiseerd. De kopers betalen niet en de curator spant een procedure aan.

Ongerechtvaardigde verrijking

De curator heeft zijn vordering onder andere gebaseerd op ongerechtvaardigde verrijking. Om deze grondslag te laten slagen moet er aan vier vereisten zijn voldaan. Er moet sprake zijn van: 1. een verrijking van de kopers, 2. waardoor de curator schade heeft geleden (boedel is verarmd), 3. er moet een causaal verband bestaan tussen de verrijking en de verarming 4. de verrijking moet ongerechtvaardigd zijn.  

ad 1. Een verrijking van de kopers
De kopers hebben betoogd dat zij niet zijn verrijkt, nu zij de met Roos Bouw overeengekomen aanneemsommen volledig aan Woningborg hebben voldaan, inclusief de eerste termijnen. De rechtbank is van oordeel dat deze keuze van de kopers voor rekening van kopers dient te blijven. Uit de GIW garantie is namelijk niet gebleken dat de kopers verplicht zijn het eerste termijn aan woningborg te voldoen. Met andere woorden de kopers kunnen niet een onverplichte betaling aan Woningborg aanvoeren ter onderbouwing van hun stelling dat zij niet zijn verrijkt. 

ad 2. De curator heeft schade geleden (boedel is verarmd).
De kopers betwisten dat de boedel/curator is verarmd. De kopers betogen dat de curator de schade voor de boedel juist heeft beperkt door de aannemingsovereenkomsten niet te laten doorlopen. Wanneer de curator de overeenkomsten wel zou hebben voortgezet dan had hij de eerste termijnen (en de overige termijnen) kunnen incasseren. Daartegenover is de curator dan wel verplicht om de woningen van de kopers te laten afbouwen. Volgens de kopers heeft de afbouw van de woningen aanzienlijk meer gekost dan het totale bedrag van de aanneemsommen die met Roos Bouw waren overeengekomen. Kortom, de boedel heeft geen schade geleden. 

De rechtbank is van oordeel dat dit betoog niet kan slagen en er wel degelijk sprake is van een verarming van de boedel. De verarming van de boedel is namelijk gelegen in de werkzaamheden die Roos Bouw vóór het faillissement heeft verricht waarvoor de boedel geen vergoeding heeft ontvangen. Dat de curator de schade heeft beperkt door de overeenkomsten niet te laten doorlopen, laat onverlet dat de boedel voor het bedrag van de niet betaalde werkzaamheden is verarmd. 

ad 3. Causaal verband.
De rechtbank is van oordeel dat de verrijking van de kopers voor de verarming van de curator/boedel heeft gezorgd. De kopers hebben de werkzaamheden die Roos Bouw vóór faillissement heeft verricht, niet betaald waardoor de boedel is verarmd. 

ad 4. De verrijking moet ongerechtvaardigd zijn
Tenslotte betwisten de kopers dat de verrijking ongerecht-vaardigd is. Volgens de kopers ligt de rechtvaardiging van de verrijking in de rechtshandeling van de curator dat hij de aannemingsovereenkomsten niet laat voortduren. De rechtbank verwerpt eveneens dit betoog. Het artikel waar de kopers een beroep op doen is niet bedoeld om een grondslag te creëren voor een vermogensverschuiving als het onderhavige.  

Conclusie
Het voorgaande betekent, dat naar het oordeel van de rechtbank aan alle vereisten voor ongerechtvaardigde verrijking is voldaan. De kopers dienen aan de curator de bedragen te betalen ter hoogte van de door hen genoten verrijking. Daarvoor dient te worden begroot wat de waarde is van de door Roos Bouw verrichte werkzaamheden vóór de datum van faillissement. 

LJN: BX6437

dinsdag 26 februari 2013

Betalingstermijnen wettelijk vastgelegd


Vanaf 16 maart 2013 zullen de betalingstermijnen bij overeenkomsten tussen bedrijven onderling en tussen bedrijven en overheden wettelijk worden vastgelegd.

Betalingstermijnen tussen bedrijven onderling (B2B).

Binnen 30 dagen
Heeft u niets afgesproken of contractueel geregeld, dan moet binnen 30 dagen na de factuurdatum worden betaald.

Maximaal 60 dagen
U heeft de mogelijkheid om in de overeenkomst een langere betalingstermijn van maximaal 60 dagen te nemen.

Langer dan 60 dagen 
Als kan worden aangetoond dat het voor geen van beide partijen (leverancier en afnemer) nadelig is, mag er zelfs een betalingstermijn van langer dan 60 dagen worden afgesproken.

Betalingstermijn bedrijven en overheden (B2G).

Binnen 30 dagen 
Bij overeenkomsten tussen bedrijven en overheden geldt in bijna alle gevallen dat binnen 30 dagen na de factuurdatum moet worden betaald. Van die termijn kan nauwelijks worden afgeweken.

zaterdag 23 februari 2013

UAV-GC 2005

Het gebruik van de UAV-GC 2005 neemt hand over hand toe. Steeds meer opdrachtgevers zetten hun opdrachten op deze manier in de markt. Schrader Advocaten heel veel ervaring met deze voorwaarden en de geschillen die hieruit voortvloeien. 

Plaats van de voorwaarden in het bouwproces.

In het traditionele bouwproces zijn de taken en verantwoordelijkheden binnen het bouwproject verdeeld tussen opdrachtgever en opdrachtnemer (aannemer). De opdrachtgever werkt meestal met behulp van een architect, het ontwerp gedetailleerd uit, waarna de opdrachtnemer tot uitvoering overgaat op basis van bestek en tekeningen. Deze verhouding tussen partijen worden grotendeels beheerst door de UAV.
Inmiddels is de behoefte ontstaan om de kennis en ervaringen van de opdrachtnemer in het bouwproject op een andere wijze te gebruiken. Met de Uniforme Administratieve Voorwaarden voor Geïntegreerde Contracten (UAV-gc) wordt een juridisch kader neergezet waarmee bouwprojecten anders dan traditioneel, kunnen worden benaderd. De UAV-gc biedt mogelijkheden om taken als ontwerp, uitvoeren, financieren, onderhouden en/of exploiteren te integreren bij één en dezelfde opdrachtnemende partij. 
Hierna zal ik een zaak bespreken welke betrekking heeft op de informatieverstrekking, documenten en informatieplicht van partijen op basis van de UAV-gc.

Casus

In casu ging het om een ontwerp en de uitvoering van drie viaducten in een gebied waar in de tweede wereldoorlog behoorlijk was gebombardeerd. De aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven in het werkgebied was dus mogelijk.

Het werk was Europees aanbesteed, waarbij de opdrachtgeefster had aangegeven dat door haar een explosievenonderzoek zou worden uitgevoerd en dit bij gunning zou zijn afgerond. De resultaten van dit onderzoek zouden aan de aannemers ter beschikking worden gesteld. Later bleek dat er toch nog aanvullend onderzoek nodig was. De kosten voor dit onderzoek belopen een bedrag van ruim 1 miljoen. Voor wie zijn rekeningen diende deze kosten moeten komen?

Standpunt van de aanneemster was kort gezegd, dat uit de contractstukken is af te leiden dat het totale explosievenonderzoek, dus ook het aanvullend onderzoek, voor rekening van de opdrachtgeefster dient te komen.

Aan de andere kant was de opdrachtgeefster van mening dat het onderzoek door de aanneemster moet worden uitgevoerd, omdat sprake is van een Design- & Constructovereenkomst waarop de UAV-gc van toepassing zijn, waarbij de werkzaamheden die de opdrachtgeefster ten behoeve van het ontwerp en de uitvoering zal verrichten limitatief in de contractdocumenten zijn opgesomd.

Oordeel

De arbiters gaan mee met het standpunt van de aanneemster. De arbiters waren van oordeel dat, los van het type contract, een volledig explosievenonderzoek op en in de buurt van het onderhavige terrein bij uitstek een onderzoek is dat voor risico van de opdrachtgever dient komen. Opdrachtgeefster dient te zorgen dat aanneemster tijdig kan beschikken over het terrein waarin het werk moet worden gerealiseerd.

Alleen als de opdrachtgever voor de gunning expliciet kenbaar had gemaakt dat aannemer dit onderzoek in zijn geheel dan wel voor een deel zelf dient uit te voeren, zou het onderzoek een verantwoordelijkheid van aanneemster kunnen zijn.

Samenvattend wil het dus niet zonder meer zeggen dat als partijen een Design- & Constructieovereenkomst sluiten dit tot gevolg heeft dat, de opdrachtnemer al het onderzoek dient te verrichten dat voor het opstellen van het ontwerp en voor de uitvoering noodzakelijk is, tenzij het tegendeel uit de contractdocumenten blijkt.

dinsdag 12 februari 2013

Voorwaarden voor vestigen retentierecht, geen feitelijke macht



Recent heeft het gerechtshof Leeuwarden moeten beoordelen of de onder-onderaannemer rechtsgeldig een beroep op het retentierecht had gedaan. Volgens het hof had de onder-onderaannemer geen zeggenschap over de bouwplaats, zodat er geen geldig retentierecht is gevestigd. 

Casus

Accolade heeft omstreeks 9 december 2010 een aannemingsovereenkomst gesloten inzake de bouw van 68 woningen voor een totale aanneemsom van € 6.318.900,--. Hoofdaannemer heeft de uitvoering van de aannemingswerkzaamheden opgedragen aan een onderaannemer. Deze onderaannemer maakte gebruik van een zestiental onder-onderaannemers (waaronder partij X in de procedure, hierna: X). 
Onderaannemer sluit daartoe een aannemingsovereenkomst met X. Tussen de onderaannemer en X gesloten aannemingsovereenkomst staat als omschrijving van de uit te voeren werkzaamheden vermeld: het complete grond-, straat- en rioleringswerk. 

X is vervolgens met de uitvoering van de werkzaamheden op het project gestart. Via de onderaannemer heeft zij de beschikking gekregen over een sleutel van het bouwslot om het – buiten de werkzaamheden met hekken afgesloten – bouwterrein te kunnen betreden. 

Op enig moment raakt X – via de projectleider van onderaannemer – bekend met het nieuws dat het faillissement van de onderaannemer dreigde. Vervolgens heeft X haar transportafdeling gevraagd om voor hekken te zorgen. Hierna heeft X deze hekken om een - nog niet opgeleverde en voor circa 80% gereed zijnde - woning op het bouwterrein geplaatst en aan het hek een bord gehangen met daarop de tekst: “hier oefent X Infra en Milieu B.V. haar retentierecht uit.” 

Onderaannemer gaat inderdaad failliet. Vervolgens heeft Accolade X gesommeerd om de geplaatste hekken en borden te verwijderen omdat X zich volgens Accolade ten onrechte op een retentierecht beroept, vanwege het ontbreken van de feitelijke macht over de bouwplaats. 

Oordeel van het hof

Van feitelijke macht is sprake als afgifte van de teruggehouden zaak door de retentor nodig is om haar weer in de macht van de schuldenaar of de rechthebbende te brengen. Bij een onroerende zaak is nodig dat de (onder)aannemer een zodanige feitelijke macht over de zaak heeft dat de zaak voor de schuldenaar of derde ontoegankelijk is, waarbij die situatie een normaal gevolg is van de uitvoering van de aannemingsovereenkomst. 

Het vorenstaande brengt mee (1) dat de zeggenschap die de (onder)aannemer over de teruggehouden zaak heeft, moet voortvloeien uit haar op dat moment lopende werkzaamheden ter uitvoering van de aannemingsovereenkomst (2) dat deze zeggenschap de toegang (door de schuldenaar of rechthebbende) tot de teruggehouden zaak moet betreffen en (3) dat deze zeggenschap exclusief aan de retentor moet toekomen. Met andere woorden het gaat er om of uitsluitend X bepaalde wie wel en wie geen toegang had tot het perceel of het pand, als uitvloeisel van haar werkzaamheden als onder-onderaannemer.

Het hof komt in de onderhavige kwestie tot de conclusie dat onvoldoende is gesteld en gebleken dat uitsluitend X kon bepalen wie de betreffende woning in kon en dat uitsluitend zij daarin werkzaamheden uitvoerde. X heeft geen rechtsgeldig beroep op het retentierecht gedaan en dient te teruggehouden woning af te geven aan Accolade. 

Gerechtshof Leeuwarden, LJN: BZ0824, 6 februari 2013.

dinsdag 15 januari 2013

Geen maand korting op (fictieve) opzegtermijn bij pro forma ontbinding


Op 1 januari 2013 is de Wet vereenvoudiging regeling UWV ingevoerd. De belangrijkste aanpassing  is de afschaffing van de mogelijkheid om de zogenaamde fictieve opzegtermijn via een pro forma ontbindingsprocedure, met één maand te verkorten.  

De fictieve opzegtermijn is het termijn die het UWV toepast bij het bepalen van de ingangsdatum van een WW-uitkering. Deze wachttijd komt bij een pro forma ontbinding vaak neer op de opzegtermijn verminderd met één maand. Door de opzegtermijn met één maand te verkorten  werd de arbeidsovereenkomst één maand eerder beëindigd en kon de werknemer eerder aanspraak maken op een WW-uitkering. Daarnaast was het voor de werkgever voordeliger de griffiekosten voor een ontbindingsprocedure te betalen, dan één maand extra salaris. De Wet vereenvoudiging regeling UWV brengt hier verandering in.  

Vanaf 1 januari 2013 is de opzegtermijn, als de werknemer wordt ontslagen via de ontbindingsprocedure, gelijk getrokken met de opzegtermijn als het dienstverband eindigt met wederzijds goedvinden. 

Het voorgaande betekent dat als de arbeidsovereenkomst via een pro forma ontbindingsprocedure eindigt, niet langer één maand mag worden afgetrokken van de (fictieve) opzegtermijn die voor de werknemer geldt. 

Met andere woorden: de werknemer kan hierdoor pas later aanspraak maken op een WW-uitkering, want de WW-uitkering gaat immers in nadat de (fictieve) opzegtermijn is verstreken. 

De werkgever dient er dus rekening mee te houden, dat de werknemer één maand meer ontslagvergoeding zal gaan vorderen bij een pro forma ontbindingsprocedure. 

Tot slot bevat de wet wel een overgangsregeling. De kortingsmaand geldt nog wel in de gevallen waarbij de werkgever het ontbindingsverzoek vóór de inwerkingtreding (1 januari 2013) van de wet heeft ingediend. 

Bron: www.uwv.nl 

donderdag 10 januari 2013

RVOI-geschillen naar de Raad van Arbitrage voor de Bouw


Indien partijen een overeenkomst sluiten op basis van de RVOI (Regeling van de Verhouding tussen Opdrachtgever en adviserend Ingenieursbureau), zullen eventuele daaruit voortvloeiende geschillen als regel worden opgelost door arbitrage. Een deskundige, vlotte en betaalbare manier om een geschil te beslechten. 

Het aantal contracten waarin de RVOI van toepassing wordt verklaard neemt echter gestaag af sinds de invoering van de DNR (De Nieuwe Regeling). Daarmee neemt ook het aantal geschillen af dat conform de arbitrageclausule uit de RVOI wordt beslecht. Het geringe aantal geschillen dat jaarlijks nog op basis van de RVOI aanhangig wordt gemaakt rechtvaardigt niet langer het zelfstandig voortbestaan van de Commissie van Geschillen van KIVI NIRIA als geschilbeslechtende instantie daarvoor. 

Met ingang van 2 januari 2013 gaat de Raad van Arbitrage voor de Bouw RVOI-geschillen afwikkelen. Daartoe treedt een nieuw reglement van de Commissie van Geschillen in werking. Dit reglement verwijst naar het arbitragereglement van de Raad van Arbitrage voor de Bouw voor de wijze van geschilbeslechtiging. Geschillen op grond van de RVOI dienen daarom vanaf die datum bij de Raad van Arbitrage aanhangig te worden gemaakt. 

Met het oog op de beslechting van deze geschillen zijn door de Raad van Arbitrage vier extra arbiters benoemd met specifieke technische deskundigheid op de vakgebieden die vaak aan de orde zijn in geschillen die op grond van de RVOI aan de orde worden gesteld.

De Commissie van Geschillen blijft in functie voor de afwikkeling van geschillen die vóór 2 januari 2013 aanhangig zijn gemaakt. Deze lopende geschillen worden onverkort conform het oude reglement afgewikkeld. 

Bron: www.raadvanarbitrage.nl

vrijdag 28 december 2012

Businessclub Dennenheuvel


Op 28 december 2012 hebben wij samen het jaar afgesloten met de leden van de Businessclub Dennenheuvel. Deze foto is gemaakt voor de society-pagina van De Stentor



donderdag 27 december 2012

Bouwen in het Oosten (II)

In 2013 gaat ons kantoor regelmatig uitgebreide artikelen verzorgen in het magazine Bouwen in het Oosten. We kunnen dan nog meer aandacht besteden aan de juridische ontwikkelingen op het gebied van bouw- en arbeidsrecht!   

Bouwen in het Oosten december 2012

In het decembernummer van Bouwen in het Oosten is opnieuw een column geplaatst van Yvonne Schrader. 
Klik hier voor column, met als onderwerp "Onderzoeken of meedelen?"


dinsdag 20 november 2012

Zieke oproepkracht recht op doorbetaling

Onlangs heeft de kantonrechter te Heerenveen geoordeeld dat een werknemer met een nul-urencontract in geval van ziekte toch recht heeft op doorbetaling van loon.

Werknemer werkte als stratenmaker bij Mach-Straat. Eerst in het kader van zijn werk-leerstage en aansluitend op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Deze overeenkomst is na verloop van de overeengekomen termijn beëindigd.  

Na ongeveer drie maanden heeft Mach-Straat de werknemer gevraagd om weer voor haar te komen werken. De werknemer zou vanaf 29 maart 2012 te werk worden gesteld op twee projecten, die op 22 mei 2012 zouden aflopen. Er wordt met hem een “arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met uitgestelde prestatieplicht” gesloten. Vaak wordt dit ook wel een nul-urencontract genoemd.

De werknemer gaat aan het werk en op 4 mei 2012 heeft hij zich ziek gemeld. Sindsdien heeft de werknemer geen werkzaamheden meer verricht en de werkgever heeft vanaf die datum ook geen loon meer uitbetaald.

Geschil  
De werknemer vordert doorbetaling van loon tijdens zijn ziekte en stelt, dat de arbeidsovereenkomst van partijen als een reguliere arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt en hij daarom recht heeft op doorbetaling bij ziekte.
Hij motiveert deze stelling met de argumenten, dat hij zonder te zijn opgeroepen op het werk is verschenen, steeds 40 uren per week te hebben gewerkt en dat er (dus) geen enkel verschil was tussen het nul-urencontract en de eerdere arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Volgens de werknemer heeft hij recht op betaling van loon tijdens ziekte.

Mach-Straat betwist de vordering van de werknemer en stelt zich op het standpunt, dat er geen loon is verschuldigd indien de werknemer -  om welke reden dan ook - niet werkt. Het was ook haar bedoeling om met deze werknemer een nul-urencontract te sluiten, want alle werknemers van Mach-Straat beschikken over een nul-urencontract vanwege de onzekerheid door de huidige bouwcrisis. Er is dus geen loon verschuldigd tijdens ziekte, aldus Mach-Straat. 

Oordeel 
De essentie in deze procedure is of de werknemer recht had op doorbetaling van het loon tijdens ziekte. De kantonrechter heeft eerst beoordeeld of er sprake was van een gebruikelijke arbeidsovereenkomst of van een nul-urencontract. De rechter concludeert, dat het gelet op de aanhef en inhoud van de overeenkomst het de bedoeling van partijen is geweest om een nul-urencontract te sluiten. Tevens geeft de feitelijke invulling van de arbeidsverhouding aan dat de arbeidsovereenkomst gekwalificeerd moet worden als het type nul-urencontract. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat er in deze zaak sprake is van een nul-urencontract. 

De kantonrechter diende verder nog antwoord te geven op de centrale vraag of een werknemer met een nul-urencontract in geval van ziekte aanspraak heeft op doorbetaling van loon. Hiervoor is het van belang of de werknemer - indien de ziekte niet was opgetreden -  arbeid zou hebben verricht. Volgens de rechter staat dit vast, aangezien de werknemer specifiek op een bepaald project te werk was gesteld en dit project tot 22 mei zou duren. Het is dus aannemelijk, dat de werknemer in ieder geval tot die datum arbeid zou hebben verricht.

Conclusie
De kantonrechter beslist, dat de werknemer recht heeft op uitbetaling van loon tijdens ziekte van 4 mei tot 22 mei 2012. Na 22 mei heeft de werknemer geen recht meer op uitbetaling van loon omdat het project zou zijn afgelopen.  



maandag 19 november 2012

Beursfilm Bouw Relatiedagen Hardenberg

Gedurende de Bouw Relatiedagen in Hardenberg hebben ondernemers, architecten, (woning)corporaties, relaties en andere geïnteresseerden kennis gemaakt met de specialistische én actieve dienstverlening van Schrader Advocaat, specialisten voor de bouw en infra. 

Centraal op deze beurs stond de lancering van het gratis online incasso-abonnement van Schrader Advocaat. Hiervoor was veel interesse. Ook onze juridische abonnementen bleken een schot in de roos. 

Onze eerste beurs was in velerlei opzichten een succes en we hebben er veel van geleerd! 

Tijdens de beurs zijn wij ook geïnterviewd voor de beursfilm. Voor het bekijken van deze film klik op deze link 


dinsdag 23 oktober 2012

Column Bouwen in het Oosten

In het oktober nummer van Bouwen in het Oosten staat opnieuw een column van Yvonne Schrader. Deze uitgave werd tijdens de vakbeurs Bouw Relatiedagen onder de standhouders gratis verspreid.

Klik op deze link voor de column

Lezingen voor branche-organisaties

Schrader Advocaat geeft regelmatig lezingen aan branche-organisaties. Veelal tijdens ledenvergaderingen. De onderwerpen worden in overleg samengesteld. De duur van zo´n lezing is afhankelijk van de beschikbare tijd. 

Wij hebben een YouTube video geupload van onze powerpointpresentatie tijdens een ledenvergadering van Infra Platform regie Oost. Deze video is te zien via deze link: http://youtu.be/6yqRaeSzMcA

vrijdag 5 oktober 2012

Een gebrekkige heftruck


Een spontaan, plotseling achteruit rijdende heftruck brengt ernstige letselschade toe aan de bestuurder van een vennootschap. De rechtbank Zutphen heeft moeten beoordelen wie aansprakelijk is voor deze gebrekkige heftruck. Is de vennootschap bezitter van de heftruck? of moet de algemeen directeur van de vennootschap zelf als bezitter worden aangemerkt? 

De vennootschap drijft een onderneming in het produceren van kleefstoffen, zoals lijmproducten voor wandbekleding en industriële kleefstoffen. De eiser in deze zaak is enige aandeelhouder en enig bestuurder van de vennootschap en heeft een arbeidsovereenkomst ondertekend met als taakomschrijving dat eiser zal fungeren als statutair, algemeen directeur. 

De vennootschap heeft een werkmaterieel verzekering afgesloten bij een verzekeringsmaatschappij. Tot de verzekerde objecten behoort onder meer de heftruck. De directeur stelt dat de vennootschap aansprakelijk is voor het ongeval met de heftruck waarbij hij letsel heeft opgelopen en dat de vennootschap gehouden is de daardoor veroorzaakte materiële en immateriële schade volledig te vergoeden.

Geschil 
Standpunt van directeur: door het plotseling, en zonder dat de aanwezige veiligheidsmaatregelen dit verhinderden, achteruit rijden voldeed de heftruck niet aan de daaraan te stellen eisen en leverde daarmee een bijzonder gevaar op voor personen. Als bedrijfsmatig gebruiker van de heftruck is de vennootschap risicoaansprakelijk voor de door de heftruck bij de directeur veroorzaakte letselschade. 
Met andere woorden de vennootschap is bezitter van de heftruck en de vennootschap is als bezitter van de heftruck risicoaansprakelijk voor de schade die deze heftruck heeft veroorzaakt bij derden (in dit geval de algemeen directeur van de vennootschap).

De verzekeringsmaatschappij van de vennootschap voert het verweer aan dat de directeur geen beroep kan doen op risicoaansprakelijkheid van de vennootschap. Gelet op de vennootschappelijke relatie tussen de vennootschap en de directeur, moet de directeur zelf als bezitter van de heftruck worden beschouwd.  
Als het ware moet er door de vennootschap worden heen gekeken. Dan valt in te zien dat de heftruck tot het vermogen van de directeur behoort waardoor hij als bezitter aangemerkt moet worden. Kortom de vennootschap kan niet risicoaansprakelijk zijn voor de schade omdat de algemeen directeur van de vennootschap zelf bezitter is van de heftruck en geen derde partij is.

Beoordeling 
De kern van het geschil gaat om de vraag wie als bezitter van de heftruck moet worden aangemerkt en wie dus aansprakelijk is voor de schade. Deelname aan het handelsverkeer is mogelijk door natuurlijke personen en rechtspersonen, twee verschillende en aan elkaar gelijkwaardige juridische entiteiten.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de directeur de vennootschap risicoaansprakelijk kan stellen en de vennootschap moet worden aangemerkt als bezitter van de heftruck. 

Het voorgaande betekent dat naar het oordeel van de rechtbank de verzekeringsmaatschappij van de vennootschap de schade van de algemeen directeur, dient te vergoeden. 

Vonnis: LJN : BX7229