maandag 27 juni 2011

Twee overeenkomsten op een kussen…

Mijn cliënte, een groot installatiebedrijf, geeft haar onderaannemer opdracht tot het leveren van een compleet luchtkanalenstelsel. In deze overeenkomst is bepaald, dat aan het einde van het werk de meer- en minderwerkverrekening zal plaatsvinden op basis van revisietekeningen, die de onderaannemer moet aanleveren.

Het isoleren van de luchtkanalen heeft onderaannemer, zonder medeweten van installatiebedrijf (en tegen de afspraak in), uitbesteed aan bedrijf X. In de overeenkomst tussen onderaannemer en bedrijf X is afgesproken, dat het werk wordt afgerekend op basis van werkelijke hoeveelheden.

In de overeenkomsten staan dus verschillende verrekenmethodieken. Dit is wachten op problemen en die problemen komen dan ook.

Na afloop van het werk dient onderaannemer namelijk bij installateur een meerwerkopgave in op basis van hoeveelheden die hij van bedrijf X heeft doorgekregen en verzoekt betaling hiervan. Installateur reageert verrast op het bestaan van bedrijf X en stelt - terecht - dat zij niets met bedrijf X te maken heeft. Onderaannemer wordt om de revisietekeningen gevraagd, want die zijn immers met onderaannemer de overeengekomen basis voor het afrekenen van meerwerk. Onderaannemer kan geen revisietekeningen overleggen en wil de opgegeven aantal m2 betaald krijgen. Er volgt een discussie tussen installateur en onderaannemer over de toe te passen verrekeningsmethode.

Ondertussen blijkt, dat onderaannemer de betaling aan bedrijf X heeft opgeschort, omdat hij van mening is dat installateur eerst aan hem moet betalen zodat hij vervolgens aan bedrijf X kan betalen. Bedrijf X is echter van mening, dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan en is het wachten beu. Bedrijf X dagvaardt onderaannemer bij de rechtbank in Haarlem. Onderaannemer roept installateur in vrijwaring op, want stelt dat installateur eindverantwoordelijk is voor de betaling aan bedrijf X. In de conclusie van antwoord wijs ik onderaannemer op deze rare gedachtekronkel – installateur heeft immers niets te doen met bedrijf X - maar in de verdere procedure handhaaft onderaannemer dit standpunt.

Na de conclusies van antwoord roept de rechtbank de drie partijen bijeen voor een comparitie. Tijdens de comparitie wordt al vrij snel duidelijk, dat de rechter weinig van de zaak begrijpt en stuurt partijen dan ook zo snel mogelijk naar de gang om een regeling te treffen. Een regeling blijkt onmogelijk, omdat bedrijf X en installateur beide van mening zijn - en blijven - dat ze in hun recht staan.

Rechtbank wijst vonnis: In de hoofdzaak tussen bedrijf X en onderaannemer worden de vorderingen van bedrijf X volledig aan hem toegewezen, want er is geen enkele rechtsgrond voor het opschorten van de betaling.

Om proceseconomische reden wordt de vrijwaringszaak afgesplitst en deze gaat als zelfstandige procedure verder. Onderaannemer en installateur mogen in repliek en dupliek hun stellingen nader toelichten. Het wordt er niets anders op, behalve dat onderaannemer in repliek zijn eis fors vermindert. Het financieel belang van de zaak is dan nog klein, zodat ik namens installateur probeer om de zaak te schikken. Onderaannemer wijst het voorstel af. Het komt tot vonnis: de rechtbank volgt het verweer van installateur en wijst de vorderingen van onderaannemer af.

Onderaannemer blijft dus zitten met een verliespost. Hij moet zijn eigen onderaannemer bedrijf X immers meer betalen, dan dat hij voor hetzelfde werk betaald heeft gekregen van zijn opdrachtgever.

Kern

In deze zaak was dit nadeel voor de onderaannemer - en dus het geschil - te voorkomen geweest als aandacht was besteed aan de contractstukken. Onderaannemer had er voor moeten zorgen dat de contractstukken op elkaar zouden aansluiten. Dit had hij bijvoorbeeld kunnen doen, door zijn contract met installateur integraal onderdeel te laten uitmaken van het contract met bedrijf X. Hierdoor komt er eenduidigheid in de contractstukken en wordt voorkomen dat er (interpretatie-) verschillen ontstaan. Dit voorkomt veel narigheid.

Yvonne Schrader www.schrader.nl