Mijn column in het magazine Bouwen in het Oosten, uitgave juni, is weer uit!
http://www.bouweninhetoosten.nl/attachments/File/BIHO_COLUMN_SCHRADER_2012_3.pdf
donderdag 28 juni 2012
vrijdag 22 juni 2012
Hoge Raad: NEN-normen niet gratis
De NEN-normen van het Nederlands Normalisatieinstituut (NNI) hoeven niet gratis te worden verstrekt.
De Hoge Raad stelt dat de overheid niet verplicht is om de NEN-normen kosteloos aan te bieden, omdat de normen waarnaar wordt verwezen in bouwregelgeving niet algemeen verbindend zijn.
Kern van de uitspraak
De door het Nederlands Normalisatieinstituut tot stand gebrachte NEN-normen zijn geen door de overheid uitgevaardigde algemeen verbindende voorschriften en zijn daarom niet vrij van auteursrecht.
Achtergrond
Knooble B.V. stelt via haar website informatie beschikbaar die van nut is voor het voorbereiden en uitvoeren van bouwprojecten. Het Nederlands Normalisatie-Instituut (NNI), een particuliere stichting, brengt ten behoeve van de normalisatie normen tot stand, zogenoemde NEN-normen, onder meer op het terrein van de bouw. Het Bouwbesluit, dat op de Woningwet berust en bouwvoorschriften bevat, verwijst op veel plaatsen naar die NEN-normen. De NEN-normen voor de bouw kunnen worden ingezien op het kantoor van het NNI en zij kunnen ook tegen betaling bij het NNI worden verkregen. Knooble vindt echter dat die NEN-normen haar gratis of tegen een redelijke vergoeding ter beschikking moeten worden gesteld. Het NNI weigert dat omdat zij vindt dat zij het auteursrecht heeft op deze NEN-normen. Knooble meent dat geen auteursrecht rust op de NEN-normen voor de bouw omdat zij deel uitmaken van de Woningwet en het Bouwbesluit doordat de voorschriften daarvan naar die normen verwijzen. Daarvoor doet Knooble een beroep op artikel 11 van de Auteurswet dat bepaalt dat geen auteursrecht bestaat op door de overheid uitgevaardigde wetten, besluiten en verordeningen (dat zijn algemeen verbindende voorschriften in de zin van artikel 89 lid 4 van de Grondwet).
De procedure bij het hof
De rechtbank was van oordeel dat de NEN-normen niet algemeen verbindend zijn omdat zij niet op de door de wet voorgeschreven wijze zijn bekendgemaakt. Daarom rust volgens de rechtbank auteursrecht op de normen. Het hof vond dat de NEN-normen weliswaar door de verwijzing in de Woningwet en het Bouwbesluit publiekrechtelijk algemeen geldende normen zijn, maar geen algemeen verbindende voorschriften in de zin van de Grondwet, omdat ze niet zijn uitgevaardigd door de regelgevende overheid maar door een private organisatie. Verwijzing in de Woningwet en het Bouwbesluit naar deze normen maakt dat niet anders.
De procedure bij de Hoge Raad
Knooble heeft tegen het arrest van het hof cassatie ingesteld bij de Hoge Raad (advocaat mr. M.E. Gelpke in Den Haag). De Staat en het NNI hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep (advocaten mrs. M.W. Scheltema en S.M. Kingma in Den Haag voor de Staat en mr. P.A. Ruig in Den Haag voor het NNI). Op 30 maart 2012 heeft de advocaat-generaal mr. F.F. Langemeijer de Hoge Raad geadviseerd de uitspraak van het hof Den Haag in stand te laten.
De uitspraak van de Hoge Raad
De Hoge Raad volgt dit advies. Hij oordeelt dat het NNI niet bevoegd is om algemeen verbindende voorschriften in de zin van de Grondwet uit te vaardigen. Die bevoegdheid krijgt het NNI ook niet door de verwijzing in de Woningwet en het Bouwbesluit naar de NEN-normen. Deze normen kunnen daarom niet worden aangemerkt als algemeen verbindende voorschriften als bedoeld in artikel 11 van de Auteurswet. De NEN-normen zijn dan ook niet op grond van dat artikel vrij van auteursrechten. De Raad van State oordeelde op 2 februari 2011 eveneens dat NEN-normen geen algemeen verbindende voorschriften zijn (LJN BP2750).
Gevolgen van de uitspraak
De zaak is hiermee geëindigd. De afwijzing van de vorderingen van Knooble is onherroepelijk geworden.
(bron: rechtspraak.nl)
woensdag 23 mei 2012
donderdag 3 mei 2012
Column 2 in Bouwen in het Oosten
Deze week wordt het magazine Bouwen in het Oosten weer verspreid onder 7.200 abonnees. De klantenkring van dit magazine behoort volledig tot de doelgroep van Schrader Advocaat. Ik ben er dus trots op dat ik in dit magazine een column mag verzorgen. Hierbij een link naar mijn column in het april/mei nummer.
maandag 23 april 2012
Persbericht UAV 2012 app
UAV 2012 app voor iPad, iPhone en Android
Schrader Advocaat heeft de UAV 2012 App ontwikkeld. De App is er voor iPhone, iPad en Android. De applicatie is gratis te downloaden via de iTunes store of Google Play. De App bevat de volledige tekst van de UAV 2012. Door de handige zoekfunctie zijn de artikelen snel en eenvoudig te vinden. De UAV zijn de meest gebruikte algemene voorwaarden in de GWW en de woning- en utiliteitsbouw. Met de UAV wordt er naar schatting per jaar rond de vijftig miljard euro bouwomzet vastgelegd. Met de App hebben de gebruikers deze belangrijke voorwaarden altijd bij de hand.
De gratis UAV 2012 App is te downloaden via http://www.schrader.nl/uav2012/uav-download-app.html
dinsdag 17 april 2012
UAV 2012 App voor Iphone & Ipad online!
Vanaf vandaag is ook de UAV 2012 App voor Iphone en Ipad online!
Klik op deze link om de UAV 2012 App te downloaden.
De UAV 2012 zijn de meest gebruikte voorwaarden in de bouw en in het civiele bouwrecht. Met deze App heeft u de voorwaarden altijd bij de hand.
Klik op deze link om de UAV 2012 App te downloaden.
De UAV 2012 zijn de meest gebruikte voorwaarden in de bouw en in het civiele bouwrecht. Met deze App heeft u de voorwaarden altijd bij de hand.
maandag 5 maart 2012
UAV 2012 App voor Android
Schrader Advocaat heeft de UAV 2012 nu ook als app voor Android uitgebracht! (iphone & ipad volgen binnenkort). Klik op deze link: goo.gl/k4m7d
dinsdag 28 februari 2012
Column Bouwen in het Oosten
Deze week is mijn eerste column gepubliceerd in het magazine Bouwen in het Oosten.
Dit magazine heeft een oplage van 7.200 exemplaren. Bij de uitgave van februari is ook een handboek(je) UAV 2012 van Schrader Advocaat meegezonden. Leuk te constateren hoe nieuwe contacten kunnen leiden tot een prima samenwerking en elkaar kunnen versterken.
maandag 19 december 2011
Op tijd geklaagd ?!
De rechtbank ’s Hertogenbosch heeft vonnis gewezen in een zaak, waarin de aannemer (pas) na 14 maanden na de eerste mededeling van de gebreken bij zijn leverancier heeft geklaagd over het gebrekkige product. Tijdig, volgens de rechtbank.
De wet (artikel 7:23 BW) schrijft voor, dat de koper binnen bekwame termijn moet klagen indien de geleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt. Binnen bekwame termijn betekent in de rechtspraak veelal een termijn van 2 à 3 maanden. De ratio van deze klachttermijn is de verkoper te beschermen tegen late en daardoor moeilijk te betwisten klachten.
De casus is als volgt. Opdrachtgever geeft aannemer in 2000 opdracht voor het leveren en aanbrengen van een daksysteem voor zijn bedrijfshal. De aannemer koopt de sandwich dakpanelen bij zijn leverancier. Leverancier stuurt op 20 oktober 2005 een brief aan aannemer waarin hij meldt, dat bij bepaalde dakpanelen die in de periode 1999/2000 zijn geleverd, delaminatie is ontstaan. De bovenste staalplaat laat los van de EPS-middenkern. De delaminatie tast de draagcapaciteit van het dakpaneel en daarmee van het gehele dak aan, wat in het ergste geval kan leiden tot lokaal instortingsgevaar. In deze brief verzoekt leverancier aan aannemer om deze brief door te leiden naar de eigenaren van de gebouwen en kondigt aan een expertisebureau opdracht te zullen geven om onderzoek te verrichten. Op 24 oktober 2005 heeft aannemer deze brief doorgestuurd aan opdrachtgever.
Op 1 oktober 2007 vindt onderzoek plaats aan de dakpanelen bij opdrachtgever. De deskundige oordeelt dat er sprake is van beginnende delaminatie. Op 24 oktober 2007 ontvangt opdrachtgever het onderzoeksrapport en beklaagt zich op 23 november 2007 bij aannemer. Medio 2008 vindt nogmaals onderzoek plaats waarbij wordt vastgesteld dat de oorzaak van de delaminatie een manco in de geleverde dakpanelen is. Dit rapport wordt eind 2008 verstrekt.
Bij brief van 28 maart 2008 heeft opdrachtgever aannemer aansprakelijk gesteld en gesommeerd om de gebrekkige dakpanelen te vervangen. Aannemer stelt op 26 januari 2009 leverancier aansprakelijk voor de gebreken en sommeert hem om vervangende dakpanelen te leveren en de herstelkosten te vergoeden.
Bij brief van 28 maart 2008 heeft opdrachtgever aannemer aansprakelijk gesteld en gesommeerd om de gebrekkige dakpanelen te vervangen. Aannemer stelt op 26 januari 2009 leverancier aansprakelijk voor de gebreken en sommeert hem om vervangende dakpanelen te leveren en de herstelkosten te vergoeden.
Opdrachtgever begint een procedure tegen aannemer, die vervolgens leverancier in vrijwaring oproept. In de hoofdzaak stelt aannemer onder andere dat opdrachtgever te laat geklaagd heeft. Volgens aannemer is de klachttermijn gaan lopen op 24 oktober 2005, dus op het moment waarop opdrachtgever de brief heeft ontvangen dat er sprake is van mogelijke delaminatie. De rechtbank stelt voorop, dat “waar het geen consumentenkoop betreft, de koper ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek dient te verrichten […]. " Met betrekking tot de klachttermijn, stelt de rechtbank stelt dat “het in belangrijke mede bepalend is hoeverre de belangen van de verkoper al dan niet zijn geschaad door de lengte van de in acht genomen klachttermijn”.
Volgens de rechtbank was de brief zodanig algemeen gesteld, dat opdrachtgever er op mocht vertrouwen dat er geen sprake was van een wijdverbreid probleem en dat er slechts een (kleine) kans was dat zijn dak hierdoor getroffen was. Ook was er geen aanleiding om zelf onderzoek te verrichten, aangezien leverancier reeds had aangekondigd onderzoek te verrichten. De klachttermijn is volgens de rechtbank dus gaan lopen op 24 oktober 2007, de dag waarop opdrachtgever het eerste onderzoeksrapport heeft ontvangen. Opdrachtgever heeft op 23 november 2007, dus tijdig, geklaagd. Het beroep op verjaring wordt afgewezen.
In de vrijwaring speelt de schending van klachtplicht eveneens. Ook hier is het beroep op verjaring afgewezen. Volgens de rechtbank, heeft aannemer tijdig – na ontvangst van het laatste rapport – geklaagd. Bovendien was leverancier op de hoogte van de discussie tussen aannemer en opdrachtgever zodat leverancier niet in zijn belangen geschaad door de lengte van de klachttermijn. Gelet op de ratio van artikel 7:23 BW – het beschermen van de verkoper - is de uitspraak begrijpelijk.
Het advies is dus om altijd tijdig te klagen, eventueel “voor nu en alsdan” indien de resultaten van een onderzoek afgewacht moeten worden.
Tot slot nog even een andere delaminatie kwestie.
Enkele jaren geleden heb ik een zaak behandeld, waarbij in het bestek een leverancier voor de sandwich gevelbeplating was voorgeschreven. Mijn cliënte, onderaannemer, bestelt deze beplating en brengt het aan. Na enkele jaren komt de buitenschil los van de binnenkern (delaminatie). Opdrachtgever spreekt hoofdaannemer hierover aan en hoofdaannemer legt de aansprakelijkstelling vervolgens door aan mijn cliënte. Uit onderzoek is gebleken dat er bij de productie onvoldoende, dan wel onjuiste lijm is toegepast zodat de lijmverbinding ondeugdelijk was. Mede in samenhang met de donkerbruine kleur van de schil is er warmtespanning ontstaan, waardoor de delaminiatie is opgetreden.
Het gaat dus om een specifiek gebrekkige bouwstof, waarvoor aannemer volgens de UAV 1989 aansprakelijk is. Op grond van paragraaf 5 lid 4 UAV 1989 is de opdrachtgever immers slechts aansprakelijk voor de functionele ongeschiktheid van de voor hem voorgeschreven bouwstoffen. Ik heb nog betoogd, dat er sprake is van een ontwerpfout – vanwege de speciale maatvoering van de gevelbeplating kwam alleen deze leverancier in beeld- maar dit werd terzijde geschoven. Cliënte is veroordeeld tot vervanging van de gevelbeplating wat al met al voor hem een schadepost van 2,5 ton opleverde. De leverancier bood geen verhaal.
In mijn zaak is de opdrachtgever dus vrijuit gegaan, terwijl aannemer en onderaannemer precies gedaan hadden wat hen door opdrachtgever was opgedragen. Mijn rechtsgevoel verzet zich hiertegen. Gelukkig geldt dit ook voor de werkgroep herziening UAV. In de concepttekst van de UAV 2011 wordt in paragraaf 6 lid 27 UAV de aansprakelijkheid van de opdrachtgever voor de voorgeschreven leverancier gelijk gesteld met die van de voorgeschreven aannemer, wat mijns inziens ook rechtvaardiger is.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
vrijdag 9 december 2011
Hoge Raad 2 december 2011
Op 2 december 2011 heeft de Hoge Raad arrest gewezen met betrekking tot de toepasselijkheid van algemene (ALIB ’92) voorwaarden. Ook voor de bouwpraktijk een relevante uitspraak, vandaar dat ik deze wil bespreken.
Casus:
Opdrachtgever sluit met installateur een overeenkomst voor het leveren en monteren van de werktuigbouwkundige installatie voor een te realiseren restaurant en hotel. In de aanloop hiernaar toe, brengt installateur een aantal offertes uit. In al deze offertes worden de ALIB ' 92 voorwaarden van toepassing verklaard en meegestuurd. Op 12 mei 2005 komen partijen tot overeenstemming. Op 7 oktober 2005 heeft installateur aan opdrachtgever een opdrachtbevestiging toegestuurd, waarbij wederom de algemene voorwaarden worden bijgevoegd. In deze opdrachtbevestiging wordt verwezen naar de offerte van 12 april 2005 en het gesprek van 12 mei 2005. De opdrachtbevestiging wordt op 26 oktober 2005 tussen partijen besproken, waarna opdrachtgever deze tekent. Installateur voert de werkzaamheden uit. In de nacht van 4 op 5 december 2006 is er lekkage ontstaan in de hoofdwaterleiding, waardoor in korte tijd een grote hoeveelheid water door het hele pand is gestroomd. Opdrachtgever stelt installateur aansprakelijk voor de schade.
Procedures:
Opdrachtgever dagvaardt installateur bij de rechtbank Arnhem en vordert vergoeding van de schade. Installateur beroept zich op de onbevoegdheid van de rechtbank onder verwijzing van het arbitrale beding in de ALIB-voorwaarden. De rechtbank oordeelt, dat niet is gebleken van een arbitrage-overeenkomst tussen partijen en verklaart zich bevoegd. De rechtbank bepaalt ook, dat hoger beroep tegen dit tussenvonnis openstaat.
Het gerechtshof Arnhem bekrachtigt dit vonnis in hoger beroep. Volgens het Hof had installateur uit de gegeven omstandigheden niet mogen begrijpen dat opdrachtgever de toepasselijkheid van de ALIB voorwaarden heeft aanvaard. Het hof verwerpt de stelling van installateur dat door aanvaarding van de opdrachtbevestiging van 7 oktober overeenstemming is bereikt over de gelding van het arbitraal beding. Volgens het hof “belichaamt de opdrachtbevestiging de gehele overeenkomst” en hierin is niet verwezen naar de ALIB-voorwaarden, maar slechts naar de offert van 12 april 2005. Bovendien is - aldus het hof - de toepasselijkheid van de voorwaarden tussen partijen niet besproken. Gelet hierop mocht installateur “uit de enkele bijsluiting van de algemene voorwaarden redelijkerwijs nog niet begrijpen dat Ecoput c.s. [opdrachtgever] de toepasselijkheid van die voorwaarden heeft willen aanvaarden" .
Installateur komt tegen dit arrest in cassatie. De Hoge Raad is van menig dat installateur er wel degelijk op mocht vertrouwen dat opdrachtgever de ALIB' 92 heeft aanvaard. Daarbij neemt de HR bijzonder in aanmerking, “dat wanneer tijdens de uitvoerige onderhandelingen tussen deze twee professionele partijen door eiseres [installateur] in haar offertes steeds is verwezen naar haar algemene voorwaarden en door haar bij de offerte van 7 oktober 2005 (en bij eerdere offertes) de algemene voorwaarden zijn bijgesloten, zonder dat Echoput op een en ander afwijzend heeft gereageerd, zulks in de gegeven omstandigheden kan betekenen dat eiseres erop mocht vertrouwen dat de algemene voorwaarden door Echoput zijn geaccepteerd.
Beslissing:
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof Arnhem en verwijst de zaak naar het gerechtshof ’s Hertogenbosch voor verdere behandeling en beslissing.
Kortom, om misverstanden te voorkomen is het advies om ook in de opdrachtbevestiging / overeenkomst uitdrukkelijk de toepasselijkheid van algemene voorwaarden op te nemen.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
zaterdag 26 november 2011
Wat verandert er?
Binnen niet al te lange termijn zullen de UAV 2011 (of misschien wel 2012?) worden geïntroduceerd. Ik wil in dit blog kort ingaan op een aantal wijzigingen ten opzichte van de UAV 1989.
§ 36 Bestekswijzigingen.
In de UAV 2011 is toegevoegd, dat de aannemer slechts een verhoging van de prijs kan vorderen in geval van door de opdrachtgever gewenste bestek wijzigingen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhoging, tenzij opdrachtgever die noodzaak al uit zichzelf had moeten begrijpen.
Deze waarschuwingsplicht volgt al uit het dwingendrechtelijke artikel 7:755 BW. Partijen mogen van deze wettelijke verplichting niet afwijken, dus de voorgestelde toevoeging in §36 is in principe overbodig.
§ 42 Kortingen.
In de UAV 1989 bedraagt het kortingsbedrag bij te late oplevering nog 75,-- gulden/€ 34,-- , tenzij in het bestek anders is bepaald. Logisch dat dit is aangepast. In de UAV 2011 wordt het kortingbedrag € 60,-- per dag, indien niet anders is overeengekomen.
§ 28 lid 9 UAV 2011
Het bouwverslag krijgt juridische status. In deze nieuwe paragraaf wordt bepaald, dat de directie gehouden is om verslagen van bouwvergaderingen op te stellen. Deze bouwverslagen dienen zowel door de aannemer als door de directievoerder te worden ondertekend.
Dit is een belangrijke verandering ten opzichte van de UAV 1989, waarin de directie niet gehouden was om de bouwverslagen op te stellen. Het wordt dus voor betrokken partijen van essentieel(er) belang om alert te zijn op de inhoud van de bouwverslagen en als de inhoud niet (geheel) juist is, direct melding hiervan te maken in de volgende bouwvergadering.
Wat verandert er?
Het antwoord is: niet veel en evenmin ingrijpend. De voorwaarden zijn ten opzichte van 1989 up to date gemaakt - dat mag ook wel na 22 jaar (!) - en de bepalingen liggen meer in lijn met de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw in de afgelopen jaren. Het is nu nog wachten op de inwerkingstreding. Kennelijk, maar dat heb ik van horen zeggen, zijn er discussies over het begrip “nauwlettend toezicht” bij verborgen gebreken en de 2% renteopslag bij wanbetaling.
Een volledig overzicht van de wijzigingen in de UAV 2011 ten opzichte van de UAV 1989 is te vinden via deze link: vergelijkingstabel De wijzigingen zijn onderstreept. Zodra de UAV 2011 van kracht zijn geworden, zal ik dit melden op mijn blog.
§ 1 bepaalt, dat de UAV 2011 ook van toepassing zijn op installatietechnische werken. Dit betekent, dat de UAV-TI komen te vervallen, omdat de bepalingen worden geïntegreerd in de nieuwe UAV.
§ 17 Verwerking van bouwstoffen.
In §17.2 is bepaald dat de aannemer geen grondstoffen mag verwerken, die niet zijn goedgekeurd. In de UAV 2011 geldt deze verplichting alleen nog ingeval het bestek voorschrijft dat deze goedkeuring nodig is.
In §17.2 is bepaald dat de aannemer geen grondstoffen mag verwerken, die niet zijn goedgekeurd. In de UAV 2011 geldt deze verplichting alleen nog ingeval het bestek voorschrijft dat deze goedkeuring nodig is.
§ 36 Bestekswijzigingen.
In de UAV 2011 is toegevoegd, dat de aannemer slechts een verhoging van de prijs kan vorderen in geval van door de opdrachtgever gewenste bestek wijzigingen, wanneer hij de opdrachtgever tijdig heeft gewezen op de noodzaak van de prijsverhoging, tenzij opdrachtgever die noodzaak al uit zichzelf had moeten begrijpen.
Deze waarschuwingsplicht volgt al uit het dwingendrechtelijke artikel 7:755 BW. Partijen mogen van deze wettelijke verplichting niet afwijken, dus de voorgestelde toevoeging in §36 is in principe overbodig.
§ 42 Kortingen.
In de UAV 1989 bedraagt het kortingsbedrag bij te late oplevering nog 75,-- gulden/€ 34,-- , tenzij in het bestek anders is bepaald. Logisch dat dit is aangepast. In de UAV 2011 wordt het kortingbedrag € 60,-- per dag, indien niet anders is overeengekomen.
§ 28 lid 9 UAV 2011
Het bouwverslag krijgt juridische status. In deze nieuwe paragraaf wordt bepaald, dat de directie gehouden is om verslagen van bouwvergaderingen op te stellen. Deze bouwverslagen dienen zowel door de aannemer als door de directievoerder te worden ondertekend.
Dit is een belangrijke verandering ten opzichte van de UAV 1989, waarin de directie niet gehouden was om de bouwverslagen op te stellen. Het wordt dus voor betrokken partijen van essentieel(er) belang om alert te zijn op de inhoud van de bouwverslagen en als de inhoud niet (geheel) juist is, direct melding hiervan te maken in de volgende bouwvergadering.
Wat verandert er?
Het antwoord is: niet veel en evenmin ingrijpend. De voorwaarden zijn ten opzichte van 1989 up to date gemaakt - dat mag ook wel na 22 jaar (!) - en de bepalingen liggen meer in lijn met de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw in de afgelopen jaren. Het is nu nog wachten op de inwerkingstreding. Kennelijk, maar dat heb ik van horen zeggen, zijn er discussies over het begrip “nauwlettend toezicht” bij verborgen gebreken en de 2% renteopslag bij wanbetaling.
Een volledig overzicht van de wijzigingen in de UAV 2011 ten opzichte van de UAV 1989 is te vinden via deze link: vergelijkingstabel De wijzigingen zijn onderstreept. Zodra de UAV 2011 van kracht zijn geworden, zal ik dit melden op mijn blog.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
zaterdag 19 november 2011
Mag het ietsje meer zijn?
Op 1 september 2011 heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw vonnis gewezen in een hoger beroepzaak inzake de waarschuwingsplicht van de aannemer bij het uitvoeren van meerwerk.
Wat was het geval:
Aannemer sluit met de Provincie een overeenkomst voor diverse maaiwerkzaamheden over de jaren 2004, 2005 en 2006. Op de overeenkomst zijn de UAV 1989 van toepassing. Tot de contractstukken behoort het GWW-bestek, met daarin voor deze kwestie relevante bepaling “Toepassen rijdende afzetting […] Rijdende afzetting volgens CROW publicatie 96b figuurnummer 7.32 […]”.
Tussen partijen is er discussie ontstaan over de wijze waarop deze rijdende afzetting moet worden ingericht. Aannemer heeft in zijn begroting gecalculeerd een werkvoertuig met eigen bebakening (à € 38.000,--) . De Provincie eist een separate actiewagen. Deze laatste uitvoeringswijze is veel duurder en aannemer vordert meerwerkvergoeding van ruim 400.000,-- euro. De Provincie weigert dit te betalen.
Arbiters in eerste aanleg wijzen deze vordering af. Aannemer gaat hiertegen in hoger beroep. In hoger beroep oordelen arbiters dat beide voertuigen onder het begrip “rijdende afzetting” vallen, zoals bedoeld in het bestek. De Provincie heeft geen nadere keuze gemaakt hoe de rijdende afzetting moet zijn ingericht, zodat aannemer een uitvoeringsvrijheid had en dus van een (goedkopere) rijdende afzetting met eigen bebakening mocht uitgaan. Het feit dat de Provincie tijdens de uitvoering een (veel duurdere) rijdende afzetting met separate actiewagen eiste, maakt dat aannemer terecht aanspraak maakt op meerkosten, aldus appelarbiters.
De Provincie verweert zich met verwijzing naar artikel 7:755 BW en stelt dat aannemer haar niet tijdig heeft ingelicht over de kostenverhoging en daarmee de Provincie de mogelijkheid heeft ontnomen om het werk te versoberen of anderszins haar financieel beleid aan te passen. Artikel 7:755 BW bepaalt dat aannemer slechts aanspraak kan maken op vergoeding van meerkosten indien hij zin opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van deze meerkosten heeft gewaarschuwd, tenzij opdrachtgever deze noodzaak redelijkerwijs zelf had behoren te begrijpen.
Appelarbiters volgen de Provincie hierin, maar stellen dat “het een feit van algemene bekendheid (is) dat de Provincie met enige regelmaat bestekken in de GWW-sector uitgeeft. Op grond hiervan had de Provincie in redelijkheid moeten begrijpen dat de door haar geëiste uitvoeringswijze […] meerkosten met zich meebrengt. “ Temeer omdat aannemer in zijn begroting hiervoor een bedrag van € 38.000,-- had opgenomen en de Provincie in redelijkheid had moeten begrijpen dat dit bedrag bij lange na niet toereikend was.
Dit oordeel laat volgens arbiters onverlet dat aannemer de concrete kosten van het meerwerk tijdig, maar in ieder geval op het moment die kosten bekend hadden kunnen zijn, aan de Provincie had moeten melden. Dit was eind 2004, maar aannemer heeft tot april 2007 gewacht met deze prijsopgave. Hiermee heeft aannemer de provincie de kans ontnomen om een sober maairegime in te voeren of anderszins haar financieel beleid te herzien. Appelarbiters straffen dit af, door de gevorderde meerkosten over de jaren 2005 en 2006 te matigen met 50%.
In mijn bouwrechtpraktijk draait het vaak om ‘niet goed, te laat en/of te duur’. Het onderwerp ‘te duur’ heeft betrekking op de meerwerkafrekening. Het komt nog te vaak voor, dat over het meerwerk geen afspraken worden gemaakt. De aannemer volgt in goed vertrouwen de aanwijzingen/opdrachten van directievoerder/opdrachtgever op, zonder vooraf melding te maken van de gevolgen in tijd en geld. Op grond van artikel 7:755 BW kan hij daarmee zijn recht verspelen om het meerwerk betaald te krijgen. Dit is slechts anders, indien de opdrachtgever de noodzakelijk van de meerkosten had kunnen begrijpen. Dit zal de aannemer dan aannemelijk moeten maken.
Advies is dus: leg meerwerk schriftelijk vast en altijd, tijdig (!) en schriftelijk waarschuwen voor gevolgen in tijd en geld.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
Kantoorbrochure Schrader Advocaat
Wat was het geval:
Aannemer sluit met de Provincie een overeenkomst voor diverse maaiwerkzaamheden over de jaren 2004, 2005 en 2006. Op de overeenkomst zijn de UAV 1989 van toepassing. Tot de contractstukken behoort het GWW-bestek, met daarin voor deze kwestie relevante bepaling “Toepassen rijdende afzetting […] Rijdende afzetting volgens CROW publicatie 96b figuurnummer 7.32 […]”.
Tussen partijen is er discussie ontstaan over de wijze waarop deze rijdende afzetting moet worden ingericht. Aannemer heeft in zijn begroting gecalculeerd een werkvoertuig met eigen bebakening (à € 38.000,--) . De Provincie eist een separate actiewagen. Deze laatste uitvoeringswijze is veel duurder en aannemer vordert meerwerkvergoeding van ruim 400.000,-- euro. De Provincie weigert dit te betalen.
Arbiters in eerste aanleg wijzen deze vordering af. Aannemer gaat hiertegen in hoger beroep. In hoger beroep oordelen arbiters dat beide voertuigen onder het begrip “rijdende afzetting” vallen, zoals bedoeld in het bestek. De Provincie heeft geen nadere keuze gemaakt hoe de rijdende afzetting moet zijn ingericht, zodat aannemer een uitvoeringsvrijheid had en dus van een (goedkopere) rijdende afzetting met eigen bebakening mocht uitgaan. Het feit dat de Provincie tijdens de uitvoering een (veel duurdere) rijdende afzetting met separate actiewagen eiste, maakt dat aannemer terecht aanspraak maakt op meerkosten, aldus appelarbiters.
De Provincie verweert zich met verwijzing naar artikel 7:755 BW en stelt dat aannemer haar niet tijdig heeft ingelicht over de kostenverhoging en daarmee de Provincie de mogelijkheid heeft ontnomen om het werk te versoberen of anderszins haar financieel beleid aan te passen. Artikel 7:755 BW bepaalt dat aannemer slechts aanspraak kan maken op vergoeding van meerkosten indien hij zin opdrachtgever tijdig voor de noodzaak van deze meerkosten heeft gewaarschuwd, tenzij opdrachtgever deze noodzaak redelijkerwijs zelf had behoren te begrijpen.
Appelarbiters volgen de Provincie hierin, maar stellen dat “het een feit van algemene bekendheid (is) dat de Provincie met enige regelmaat bestekken in de GWW-sector uitgeeft. Op grond hiervan had de Provincie in redelijkheid moeten begrijpen dat de door haar geëiste uitvoeringswijze […] meerkosten met zich meebrengt. “ Temeer omdat aannemer in zijn begroting hiervoor een bedrag van € 38.000,-- had opgenomen en de Provincie in redelijkheid had moeten begrijpen dat dit bedrag bij lange na niet toereikend was.
Dit oordeel laat volgens arbiters onverlet dat aannemer de concrete kosten van het meerwerk tijdig, maar in ieder geval op het moment die kosten bekend hadden kunnen zijn, aan de Provincie had moeten melden. Dit was eind 2004, maar aannemer heeft tot april 2007 gewacht met deze prijsopgave. Hiermee heeft aannemer de provincie de kans ontnomen om een sober maairegime in te voeren of anderszins haar financieel beleid te herzien. Appelarbiters straffen dit af, door de gevorderde meerkosten over de jaren 2005 en 2006 te matigen met 50%.
In mijn bouwrechtpraktijk draait het vaak om ‘niet goed, te laat en/of te duur’. Het onderwerp ‘te duur’ heeft betrekking op de meerwerkafrekening. Het komt nog te vaak voor, dat over het meerwerk geen afspraken worden gemaakt. De aannemer volgt in goed vertrouwen de aanwijzingen/opdrachten van directievoerder/opdrachtgever op, zonder vooraf melding te maken van de gevolgen in tijd en geld. Op grond van artikel 7:755 BW kan hij daarmee zijn recht verspelen om het meerwerk betaald te krijgen. Dit is slechts anders, indien de opdrachtgever de noodzakelijk van de meerkosten had kunnen begrijpen. Dit zal de aannemer dan aannemelijk moeten maken.
Advies is dus: leg meerwerk schriftelijk vast en altijd, tijdig (!) en schriftelijk waarschuwen voor gevolgen in tijd en geld.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
Kantoorbrochure Schrader Advocaat
zondag 13 november 2011
Scheuren, dilataties & directie
In een van mijn dossiers heeft de Raad van Arbitrage voor de Bouw onlangs vonnis gewezen. Gelukkig kon ik mijn cliënt berichten dat zijn vordering volledig is toegewezen. Dit was volgens verwachting, maar je weet het nooit zeker. Soms is procederen bij de Raad net een soort prijsschieten en kan het vonnis je volledig verrassen.
De casus is de volgende:
Mijn cliënt, een middelgrote aannemer, sluit met zijn opdrachtgever een aannemings-
overeenkomst voor de uitbreiding van een bedrijfspand. Overeenkomstig door opdrachtgever verstrekte bestek en tekeningen. Opdrachtgever heeft een bouwmanagementbureau ingeschakeld om directie te voeren.
Tot het aangenomen werk behoorde onder meer de aanleg van een in het werk gestorte betonvloer voor een wasstraat. Deze diende rondom de garage gelegd te worden. De vloer is in opdracht van opdrachtgeefster ontworpen en berekend door een constructeur. Voor deze vloer diende aannemer een certificaat van vloeistofdichtheid af te geven. Tijdens de uitvoering waarschuwt aannemer dat volgens hem een dilatatieprofiel in het verlengde van de buitengevel van de garage nodig is. Zodat de vloer los van de garage kan werken. Deze dilatatie staat niet op tekening aangegeven. De directievoerder acht deze dilatatie onnodig en stuurt de constructeur er op af. De aannemer volgt de aanwijzingen van de constructeur op.
Op 17 september 2008 wordt het werk opgeleverd, scheurvorming in de vloer is een opleverpunt. Zo ook het ontbreken van het certificaat van vloeistofdichtheid. Opdrachtgever houdt aannemer hiervoor verantwoordelijk en schort de betaling van de laatste termijn op. Opdrachtgever stelt, dat aannemer de aanwijzingen van de constructeur niet heeft opgevolgd. Aannemer bestrijdt dit en is van mening, dat de gebreken aan de vloer hem niet toegerekend kunnen worden, maar biedt aan om de scheuren te repareren. De vloer is door de scheuren uiteraard (nog) niet vloeistofdicht, zodat een certificaat niet afgegeven kan worden. De directievoerder onderhoudt de contacten met aannemer, wijst het herstelvoorstel af en wil volledige vervanging van de vloer.
Namens aannemer start ik de procedure op. Opdrachtgever handhaaft zijn standpunt. Aannemer wijst erop, dat hij het werk heeft uitgevoerd volgens bestek en tekeningen, hij tijdig heeft gewaarschuwd en dat tijdens de uitvoering namens opdrachtgever goedkeuring voor de wijze van uitvoering is gegeven. De directievoerder heeft aannemer namelijk per e-mail bericht, dat hij pas de vloer mocht storten nadat de constructeur heeft geconstateerd dat “alles” goed was. Volgens opdrachtgever had deze controle en goedkeuring alleen betrekking op de wapening, maar aan deze stelling gaan arbiters voorbij: ”Gezien de discussie die tussen alle betrokken partijen over de wasstraatvloer is gevoerd ligt het ook niet voor de hand aan te nemen dat het aanneemster werd toegestaan eerder te storten dan nadat de constructeur had geconstateerd dat alle daartoe noodzakelijke werkzaamheden waren afgerond”.
Arbiters concluderen dat er sprake is van een ontwerpfout, waarvoor opdrachtgever verantwoordelijk is.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben arbiters aangestuurd op een schikking. Partijen zijn ook op de gang geweest, maar kwamen niet tot overeenstemming. De directievoerder bleef van mening, dat er een compleet nieuwe vloer aangebracht zou moeten worden. Arbiters hebben de directievoerder duidelijk laten weten, dat hiervan sowieso geen sprake van zou kunnen zijn: “te veel gevraagd”.
In deze zaak was duidelijk dat de directievoerder een (te) grote invloed heeft (gehad) op de beslissingen van opdrachtgever. Het advies van de directievoerder heeft opdrachtgever nu in een veel nadeliger pakket gebracht. Ik ben dit al in meerdere zaken tegengekomen. Ik begrijp best dat de directievoerder het beste voor zijn opdrachtgever wil, maar het komt toch ook regelmatig voor, dat hij daarin te ver doorschiet. Uiteindelijk zijn er dan twee verliezers: de aannemer die 3 jaar op zijn geld heeft moeten wachten en de opdrachtgever die ruim 20.000 euro rente moet bijbetalen. Dat is jammer.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
Kantoorbrochure Schrader Advocaat
De casus is de volgende:
Mijn cliënt, een middelgrote aannemer, sluit met zijn opdrachtgever een aannemings-
overeenkomst voor de uitbreiding van een bedrijfspand. Overeenkomstig door opdrachtgever verstrekte bestek en tekeningen. Opdrachtgever heeft een bouwmanagementbureau ingeschakeld om directie te voeren.
Tot het aangenomen werk behoorde onder meer de aanleg van een in het werk gestorte betonvloer voor een wasstraat. Deze diende rondom de garage gelegd te worden. De vloer is in opdracht van opdrachtgeefster ontworpen en berekend door een constructeur. Voor deze vloer diende aannemer een certificaat van vloeistofdichtheid af te geven. Tijdens de uitvoering waarschuwt aannemer dat volgens hem een dilatatieprofiel in het verlengde van de buitengevel van de garage nodig is. Zodat de vloer los van de garage kan werken. Deze dilatatie staat niet op tekening aangegeven. De directievoerder acht deze dilatatie onnodig en stuurt de constructeur er op af. De aannemer volgt de aanwijzingen van de constructeur op.
Op 17 september 2008 wordt het werk opgeleverd, scheurvorming in de vloer is een opleverpunt. Zo ook het ontbreken van het certificaat van vloeistofdichtheid. Opdrachtgever houdt aannemer hiervoor verantwoordelijk en schort de betaling van de laatste termijn op. Opdrachtgever stelt, dat aannemer de aanwijzingen van de constructeur niet heeft opgevolgd. Aannemer bestrijdt dit en is van mening, dat de gebreken aan de vloer hem niet toegerekend kunnen worden, maar biedt aan om de scheuren te repareren. De vloer is door de scheuren uiteraard (nog) niet vloeistofdicht, zodat een certificaat niet afgegeven kan worden. De directievoerder onderhoudt de contacten met aannemer, wijst het herstelvoorstel af en wil volledige vervanging van de vloer.
Namens aannemer start ik de procedure op. Opdrachtgever handhaaft zijn standpunt. Aannemer wijst erop, dat hij het werk heeft uitgevoerd volgens bestek en tekeningen, hij tijdig heeft gewaarschuwd en dat tijdens de uitvoering namens opdrachtgever goedkeuring voor de wijze van uitvoering is gegeven. De directievoerder heeft aannemer namelijk per e-mail bericht, dat hij pas de vloer mocht storten nadat de constructeur heeft geconstateerd dat “alles” goed was. Volgens opdrachtgever had deze controle en goedkeuring alleen betrekking op de wapening, maar aan deze stelling gaan arbiters voorbij: ”Gezien de discussie die tussen alle betrokken partijen over de wasstraatvloer is gevoerd ligt het ook niet voor de hand aan te nemen dat het aanneemster werd toegestaan eerder te storten dan nadat de constructeur had geconstateerd dat alle daartoe noodzakelijke werkzaamheden waren afgerond”.
Arbiters concluderen dat er sprake is van een ontwerpfout, waarvoor opdrachtgever verantwoordelijk is.
Tijdens de mondelinge behandeling hebben arbiters aangestuurd op een schikking. Partijen zijn ook op de gang geweest, maar kwamen niet tot overeenstemming. De directievoerder bleef van mening, dat er een compleet nieuwe vloer aangebracht zou moeten worden. Arbiters hebben de directievoerder duidelijk laten weten, dat hiervan sowieso geen sprake van zou kunnen zijn: “te veel gevraagd”.
In deze zaak was duidelijk dat de directievoerder een (te) grote invloed heeft (gehad) op de beslissingen van opdrachtgever. Het advies van de directievoerder heeft opdrachtgever nu in een veel nadeliger pakket gebracht. Ik ben dit al in meerdere zaken tegengekomen. Ik begrijp best dat de directievoerder het beste voor zijn opdrachtgever wil, maar het komt toch ook regelmatig voor, dat hij daarin te ver doorschiet. Uiteindelijk zijn er dan twee verliezers: de aannemer die 3 jaar op zijn geld heeft moeten wachten en de opdrachtgever die ruim 20.000 euro rente moet bijbetalen. Dat is jammer.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
Kantoorbrochure Schrader Advocaat
maandag 7 november 2011
Aansprakelijk ?!
Hoe zit het ook al weer met de aansprakelijkheid van de aannemer, volgens de UAV?
Uitgangspunt: na de oplevering is aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen in het werk (§ 12 UAV).
Behoudens:
a. Garantie (§ 22 UAV).
Dit spreekt voor zich. De opdrachtgever moet (slechts) aannemelijk maken dat het gebrek "met grote mate van waarschijnlijkheid" moet worden toegeschreven aan de "minder goede hoedanigheid of gebrekkige uitvoering".
b. Onderhoudstermijn (§ 11).
De onderhoudstermijn verlicht de bewijslast van opdrachtgever. Indien opdrachtgever tijdens de onderhoudstermijn een gebrek constateert dient aannemer dit te herstellen, tenzij aannemer aantoont dat het gebrek niet aan hem is toe te rekenen. Aan het einde van de onderhoudstermijn zal een heropname plaatsvinden (§ 11 lid 6 UAV).
c. Aansprakelijk voor verborgen gebreken ( 12 leden 2 en 3).
§12.3 UAV beschrijft expliciet wat onder een verborgen gebrek moet worden verstaan:
Indien een gebrek – ondanks nauwlettend toezicht tijdens de uitvoering dan wel bij opneming van het werk - door de directie redelijkerwijs niet onderkend had kunnen worden.
Wat is nauwlettend toezicht?
AFHANKELIJK van de mate van directievoering (incidenteel of dagelijks);
Indien geen directie: verwacht wordt dan een zeker oplettende opdrachtgever, maar eisen aan inzicht of gebrek aanwezig is, mogen niet te zwaar zijn.
Enkele voorbeelden uit de jurisprudentie van de Raad van Arbitrage voor de Bouw, waarvan niet van de opdrachtgever mocht worden verwacht dat hij deze gebreken had kunnen onderkennen: kelderconstructie niet waterdicht, roestvorming gasleiding door ontbreken van ventilatie onder vloer, daklekkage door te weinig ventilatieopeningen.
RvA: indien een deskundige een gebrek bij de oplevering over het hoofd heeft gezien vrijwaart dit de aannemer niet indien er sprake is van een duidelijke, door de aannemer gemaakte bouwfout. Arbiters: “het hoort niet dat een fout van de aannemer de opdrachtgever kan worden toegerekend".
Bewijslast ligt nu bij opdrachtgever. Opdrachtgever dient te bewijzen dat er sprake is van een gebrek, die ondanks nauwlettend toezicht niet eerder onderkend had kunnen worden én dat de aannemer voor dit gebrek verantwoordelijk is.
Gebrek moet binnen redelijke termijn gemeld worden (§12 lid 2) (redelijk is binnen 2 à 3 maanden na ontdekking van het gebrek). Is de opdrachtgever te laat met melden, dan kan dit verlies van rechten opleveren.
Verjaringstermijn rechtsvordering: 2 jaar na protest/klacht (artikel 7:756 BW). Verjaring kan gestuit worden, eenvoudig door een brief waarin aanspraak op herstel wordt gehandhaafd.
Vervaltermijn rechtsvordering: 5 jaar na oplevering (of na verstrijken onderhoudstermijn). Let op: vervaltermijn: kan dus niet gestuit worden. Binnen 5 jaar moet de procedure aanhangig zijn gemaakt anders is het (in principe) over en uit. In beginsel gaat deze termijn weer lopen na (structurele!) herstelwerkzaamheden, en dan alleen voor wat betreft het uitgevoerde herstel.
d. Aansprakelijk voor ernstige gebreken (§ 12 lid 2a).
“indien het geval, voorzien in artikel 1645 BW, zich voordoet". De aansprakelijkheidstermijn in de UAV voor ernstige gebreken is 10 jaar. Indien de opdrachtgever te laat is met het instellen van een rechtsvordering voor een verborgen gebrek (5 jaar), wordt veelal het gebrek als “ernstig” gekwalificeerd om alsnog verhaal te kunnen halen. Een ernstig gebrek wordt echter niet zomaar aangenomen - er moet sprake zijn van een "vergaan" of "dreigend vergaan" - en de meeste vorderingen stranden dan ook. In een volgend blog zal ik uitgebreid aandacht besteden aan dit onderwerp.
Yvonne Schrader www.schrader.nl
Abonneren op:
Posts (Atom)